KANSLOOS, een voetbalfeuilleton (deel 1)

I.

‘Jammer, man. Maar toch: gefeliciteerd.’

De hand van Marcel, die nu al bijna twee eeuwen teamleider is, een hand die de kont van Cruijff heeft gevoeld, woelt door mijn natte haren.

Marcel is een teamleider van het zoete soort, het soort dat nog altijd dolblij is er een beetje bij te horen en ook na al die jaren maar niet wil begrijpen dat alles waar je ooit bij zou kunnen horen fictie is, een niet-bestaande band met mensen die elkaar dulden zolang het ze uitkomt.

‘Kansloos,’ zeg ik, misschien over mezelf, misschien over het team.

Het is de bedoeling dat hij me tegenspreekt, dat is de code. Teamleiders hoeven niet kritisch te zijn, mógen dat zelfs niet. Als ik clubbestuurder was, liet ik dat in hun contract vastleggen.

Marcel knikt. Kansloos ja, 0-3 verliezen van Roda JC, van een elftal waarvan de ene helft de andere niet verstaat, van een trainer met vijftien jaar eredivisie-ervaring en het tactisch vernuft van een meisje dat de jongen van haar dromen drie maanden lang negeert; je hoeft geen beroepscriticus te zijn om dat kansloos te noemen.

Het seizoen is voorbij, morgen begint de vakantie. De nederlaag tegen Roda duwt ons nog een plekje naar onderen op de ranglijst. Vierde. Een verloren seizoen.

Ergens ramt iemand een deur dicht.

In de wit betegelde kleedkamer is Van Polen druk doende het deurtje van zijn persoonlijke locker te scheiden. Hij scheldt er furieus bij, de kutten en kankers echoën als de burgemeester van Weezel door de holle ruimte.

Van Polen is een baler voor de bühne, een kunst die maar weinig mensen verstaan. Zijn woede is levensecht, als van iemand die radeloos, bedroefd en in-teleurgesteld is. Journalisten trappen daar nog altijd in, schrijven over Van Polens ‘beleving’ en zijn ‘passie’ en weet ik veel allemaal wat nog meer voor termen die thuishoren op een spiritueel Kom tot jezelf-weekend op de Veluwe.

Nee, Van Polens woede is een vervalsing waar Han van Meegeren van zou gaan kwijlen, een staaltje acteerwerk dat Pierre Bokma zó aan zichzelf zou kunnen doen laten twijfelen dat hij zich onmiddellijk zou laten omscholen tot een mimespeler voor kinderfeestjes – en dan nog zou de onzekerheid hem iedere nacht in slaap wiegen, de gedachte aan het virtuoze veinzen van Van Polen zou nooit meer uit zijn vertoneelschoolde brein wijken.

Maar niemand die het weet, dat het toneel is. Niemand buiten de kleedkamer.

Wie helder kijkt, kan zien dat Van Polen als voetballer niet bijster veel voorstelt. Hij kan eigenlijk bitter weinig. Hij kan niet schieten, ziet het spel niet, loopt de helft van de tijd de verkeerde kant op en corrigeert dat vervolgens met imposante sprints in min of meer de goeie richting. Zijn woeste tackles veranderen ieder voetbalveld in een akker.

Niemand kijkt naar de feiten, feiten zijn voor mensen zonder fantasie, zonder eigen mening, zonder vermogen tot interpretatie.

Liever kijken ze naar Van Polens rooie kop, luisteren ze naar zijn gefoeter als een medespeler iets verkeerd doet, een in het voetbal geaccepteerd vernederen van collega’s. Als Van Polen op een kantoor zou werken, zou hij de collega zijn die een briefje met ‘Loser’ erop op iemands rug plakt en de ander er de hele dag mee over de afdeling laat lopen. Van Polen is de meest oncollegiale, onprofessionele, onsympathieke en voor een teamsport volstrekt ongeschikte voetballer die ik tot nog toe ben tegengekomen. En toch: aanvoerder en vaste Oranjeklant.

Toch knap, van Van Polen.

De trainer komt naar me toe. Nog zo’n Eppo, de trainer. Wij, de spelers, denken dat hij zijn functie gewonnen heeft met een prijsvraag. Met een slagzin of zo.

‘Van harte,’ mompelt hij. Zijn hand hangt uitgestoken voor mijn gezicht, als een vlag halfstok. Met onverholen tegenzin leg ik de mijne erin.

‘Dankjewel, trainer.’

‘Toch je debuut.’

‘Ja.’

Ik was al veertien toen ik bij Ajax ging voetballen. Net niet te oud. Ik zat in de tweede van een keurig stadsgymnasium, mijn rugzak vol nooit gekafte boeken hing als een loden bal aan mijn rug.

Mijn moeder was enkele jaren daarvoor omgekomen bij een ramp met een cruiseschip. De buurvrouw van toen we nog op de galerij woonden, had bij een door haar neef georganiseerde en niet geheel van corruptie gevrijwaarde verloting twee tickets voor een cruise langs de Noorse kust gewonnen.

Die buurvrouw, die Soraja heette maar veel meer op een Ans of een Marga leek, had m’n moeder meegevraagd. Een chronische angst om andere mensen teleur te stellen had ervoor gezorgd dat mijn moeder, na enkele stamelende seconden waarin 173 slechte, matige en ronduit kwaadaardige leugens door haar hoofd stuiterden, zichzelf plotseling “Ja, leuk” hoorde zeggen.

De cruise werd georganiseerd door Farid Travels, een minuscuul reisbureautje dat kantoor hield in een verveloze bovenwoning op de Ceintuurbaan. Farid Travels behoorde tot de absolute top van door kruimeldieven gerunde, half-malafide organisaties in de toerismebranche en was om die reden al vier keer in allerhande consumentenprogramma’s onderwerp van gesprek geweest.

De klachten die het uiteindelijk tot de rechtszaal hadden gehaald, waren echter op onverklaarbare wijze onontvankelijk verklaard en daarmee was Farid Travels niet alleen nog altijd in bedrijf, maar bovendien inmiddels een lichtend voorbeeld voor iedere oplichter-in-spé, en de oprichter van Farid Travels – Farid – niet minder dan een criminele mythe.

Op de dag waarop de boot in Oslo zou afvaren, waren mijn vader en ik al vroeg vertrokken: ik naar een toernooitje in de bossen bij Soest (waar ik topscorer én Meest Waardevolle Speler werd, wat me één krat verlopen AA en een blikken medaille van Sportprijzengroothandel Haverkamp opleverde) en mijn vader naar zijn werk.

In eenzaamheid moet mijn moeder het huis verlaten hebben, de deur achter zich hebben gesloten, op de bijrijderstoel van Soraja-van-de-galerij’s matgrijze Daihatsu Curore zijn gaan zitten en vertrokken zijn, om nooit meer terug te keren.

Midden november volgt deel 2, stay tuned!

Advertenties

Een Reactie op “KANSLOOS, een voetbalfeuilleton (deel 1)

  1. Jongens, wat een aanwinst! Mijn complimenten. Frank Heinen is idd de kroonprins onder de sportliteratoren, dus jullie moeten wel supertrots zijn met het binnenhalen van deze coryfee. En wat leest het al meteen lekker weg hè? Ik hoef toch niet al te lang te wachten op deel 2, wel?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s