KANSLOOS


‘Kansloos’ is de titel van het eerste voetbalfeuilleton ooit op Voetblah. Scribent is Hard Gras-prijswinnaar Frank Heinen die u een tragikomisch vervolgverhaal over een debutant in Ajax 1 voorschotelt. Hieronder leest u de het  vijf delen tellende feuilleton in zijn geheel. Veel leesplezier!

KANSLOOS
Een voetbalfeuilleton

I.

‘Jammer, man. Maar toch: gefeliciteerd.’

De hand van Marcel, die nu al bijna twee eeuwen teamleider is, een hand die de kont van Cruijff heeft gevoeld, woelt door mijn natte haren.

Marcel is een teamleider van het zoete soort, het soort dat nog altijd dolblij is er een beetje bij te horen en ook na al die jaren maar niet wil begrijpen dat alles waar je ooit bij zou kunnen horen fictie is, een niet-bestaande band met mensen die elkaar dulden zolang het ze uitkomt.

‘Kansloos,’ zeg ik, misschien over mezelf, misschien over het team.

Het is de bedoeling dat hij me tegenspreekt, dat is de code. Teamleiders hoeven niet kritisch te zijn, mógen dat zelfs niet. Als ik clubbestuurder was, liet ik dat in hun contract vastleggen.

Marcel knikt. Kansloos ja, 0-3 verliezen van Roda JC, van een elftal waarvan de ene helft de andere niet verstaat, van een trainer met vijftien jaar eredivisie-ervaring en het tactisch vernuft van een meisje dat de jongen van haar dromen drie maanden lang negeert; je hoeft geen beroepscriticus te zijn om dat kansloos te noemen.

Het seizoen is voorbij, morgen begint de vakantie. De nederlaag tegen Roda duwt ons nog een plekje naar onderen op de ranglijst. Vierde. Een verloren seizoen.

Ergens ramt iemand een deur dicht.

In de wit betegelde kleedkamer is Van Polen druk doende het deurtje van zijn persoonlijke locker te scheiden. Hij scheldt er furieus bij, de kutten en kankers echoën als de burgemeester van Weezel door de holle ruimte.

Van Polen is een baler voor de bühne, een kunst die maar weinig mensen verstaan. Zijn woede is levensecht, als van iemand die radeloos, bedroefd en in-teleurgesteld is. Journalisten trappen daar nog altijd in, schrijven over Van Polens ‘beleving’ en zijn ‘passie’ en weet ik veel allemaal wat nog meer voor termen die thuishoren op een spiritueel Kom tot jezelf-weekend op de Veluwe.

Nee, Van Polens woede is een vervalsing waar Han van Meegeren van zou gaan kwijlen, een staaltje acteerwerk dat Pierre Bokma zó aan zichzelf zou kunnen doen laten twijfelen dat hij zich onmiddellijk zou laten omscholen tot een mimespeler voor kinderfeestjes – en dan nog zou de onzekerheid hem iedere nacht in slaap wiegen, de gedachte aan het virtuoze veinzen van Van Polen zou nooit meer uit zijn vertoneelschoolde brein wijken.

Maar niemand die het weet, dat het toneel is. Niemand buiten de kleedkamer.

Wie helder kijkt, kan zien dat Van Polen als voetballer niet bijster veel voorstelt. Hij kan eigenlijk bitter weinig. Hij kan niet schieten, ziet het spel niet, loopt de helft van de tijd de verkeerde kant op en corrigeert dat vervolgens met imposante sprints in min of meer de goeie richting. Zijn woeste tackles veranderen ieder voetbalveld in een akker.

Niemand kijkt naar de feiten, feiten zijn voor mensen zonder fantasie, zonder eigen mening, zonder vermogen tot interpretatie.

Liever kijken ze naar Van Polens rooie kop, luisteren ze naar zijn gefoeter als een medespeler iets verkeerd doet, een in het voetbal geaccepteerd vernederen van collega’s. Als Van Polen op een kantoor zou werken, zou hij de collega zijn die een briefje met ‘Loser’ erop op iemands rug plakt en de ander er de hele dag mee over de afdeling laat lopen. Van Polen is de meest oncollegiale, onprofessionele, onsympathieke en voor een teamsport volstrekt ongeschikte voetballer die ik tot nog toe ben tegengekomen. En toch: aanvoerder en vaste Oranjeklant.

Toch knap, van Van Polen.

De trainer komt naar me toe. Nog zo’n Eppo, de trainer. Wij, de spelers, denken dat hij zijn functie gewonnen heeft met een prijsvraag. Met een slagzin of zo.

‘Van harte,’ mompelt hij. Zijn hand hangt uitgestoken voor mijn gezicht, als een vlag halfstok. Met onverholen tegenzin leg ik de mijne erin.

‘Dankjewel, trainer.’

‘Toch je debuut.’

‘Ja.’

Ik was al veertien toen ik bij Ajax ging voetballen. Net niet te oud. Ik zat in de tweede van een keurig stadsgymnasium, mijn rugzak vol nooit gekafte boeken hing als een loden bal aan mijn rug.

Mijn moeder was enkele jaren daarvoor omgekomen bij een ramp met een cruiseschip. De buurvrouw van toen we nog op de galerij woonden, had bij een door haar neef georganiseerde en niet geheel van corruptie gevrijwaarde verloting twee tickets voor een cruise langs de Noorse kust gewonnen.

Die buurvrouw, die Soraja heette maar veel meer op een Ans of een Marga leek, had m’n moeder meegevraagd. Een chronische angst om andere mensen teleur te stellen had ervoor gezorgd dat mijn moeder, na enkele stamelende seconden waarin 173 slechte, matige en ronduit kwaadaardige leugens door haar hoofd stuiterden, zichzelf plotseling “Ja, leuk” hoorde zeggen.

De cruise werd georganiseerd door Farid Travels, een minuscuul reisbureautje dat kantoor hield in een verveloze bovenwoning op de Ceintuurbaan. Farid Travels behoorde tot de absolute top van door kruimeldieven gerunde, half-malafide organisaties in de toerismebranche en was om die reden al vier keer in allerhande consumentenprogramma’s onderwerp van gesprek geweest.

De klachten die het uiteindelijk tot de rechtszaal hadden gehaald, waren echter op onverklaarbare wijze onontvankelijk verklaard en daarmee was Farid Travels niet alleen nog altijd in bedrijf, maar bovendien inmiddels een lichtend voorbeeld voor iedere oplichter-in-spé, en de oprichter van Farid Travels – Farid – niet minder dan een criminele mythe.

Op de dag waarop de boot in Oslo zou afvaren, waren mijn vader en ik al vroeg vertrokken: ik naar een toernooitje in de bossen bij Soest (waar ik topscorer én Meest Waardevolle Speler werd, wat me één krat verlopen AA en een blikken medaille van Sportprijzengroothandel Haverkamp opleverde) en mijn vader naar zijn werk.

In eenzaamheid moet mijn moeder het huis verlaten hebben, de deur achter zich hebben gesloten, op de bijrijderstoel van Soraja-van-de-galerij’s matgrijze Daihatsu Curore zijn gaan zitten en vertrokken zijn, om nooit meer terug te keren.

II.

Ik kan me niet meer precies herinneren waar ik was toen mijn vader gebeld werd en tante Annemiek vertelde dat ze op RTLText had gelezen dat er iets gebeurd was met een cruiseschip voor de kust van Hammerfest en omdat Marijke nu toch ook op zo’n schip zat en of wij er al van wisten en dat ze ons niet zenuwachtig wilde maar dat ze het ook niet voor zich en toen had Ton (haar nieuwe vriend – de vorige had zich een maanden eerder laten opnemen in een kliniek om zich te laten behandelen voor zijn verzameldrift) gezegd dat ze toch maar effe… Afijn, dat deed ze dan dus nu maar.

Mijn vader zette ogenblikkelijk de televisie aan. Op Nederland 1 was een spelshow voor verstandelijk gehandicapten nét op het punt waarop de twee teams roze tennisballen door levensgrote gaten in een plastic scherm moesten werpen, op Nederland 2 werd de talkshow van de vorige dag herhaald nét op het punt waar ze een fragment lieten zien van dezelfde talkshow van een dag eerder, omdat dat een moment was geweest waar nog wel even over nagepraat diende te worden.

Nederland 3 zond een door een team van stonede Japanse animators in ogenschijnlijke haast bij elkaar geklodderde tekenfilm over drie kakkerlakken in een Amerikaanse suburb uit.

Kennelijk had tante Annemiek zich vergist: iedere ramp, hoe onbeduidend of teleurstellend schadeloos ook, zou voorrang gekregen hebben boven herhalingen, ballen gooien of een trio slordig getekende kakkerlakken.

Pas uren later was er gebeld. Het was Farid zelf geweest, de legendarische Farid, de mediterrane Heer Olivier onder de Amsterdamse reisbureauhouders, de man die al decennialang met het nodige succes rondscharrelde op de bodem van de menselijke soort, die aan de telefoon kwam.

Er was iets misgegaan.
Ze wisten nog niet hoe erg.
De Noorse politie informeerde hem niet.
Hij was aan handen en voeten gebonden.
De ernst van de situatie.
Slachtoffers.
Tegenstrijdige berichten.
Zeker niet gezonken.
Waarschijnlijk niets aan de hand.

Nog diezelfde avond vlogen we naar het noorden van Noorwegen, om een week later weer terug te komen. De ramp met de Margaretha 6 was gelukkig ontzettend meegevallen, er waren nauwelijks gewonden. Slechts één persoon had de onzachte aanvaring met een vrachtschip niet overleefd, toen hij of zij een slecht vastgemaakte reddingsboot op zijn of haar hoofd gekregen had. Meer informatie volgde nog.

Eén dode. Prima score, voor een scheepsramp.

Mijn vader werkte sinds de onbeduidende ramp die mijn moeder het leven had gekost harder dan ooit. In een paar jaar tijd had hij op niet mis te verstane wijze carrière gemaakt binnen Peil.nl, het bedrijf dat zich bezighield met het enquêteren van mensen over alle denkbare onderwerpen.

Overdag reed hij het land door om bij talloze bedrijven de voordelen van een door een gecertificeerde partner uitgevoerde enquête in te masseren en voor tonnen aan overprijsde orders binnen te slepen, ’s avonds belde hij met onze huistelefoon de nummers af die de telefooncentrale overdag had laten liggen. Hij ondervroeg mensen over de voordelen van mobiel bankieren, het gerommel binnen een bepaalde politieke partij of de frequentie waarmee zij de liefde bedreven (‘En dat allemaal met uw eigen partner?’).

’s Nachts werkte hij die resultaten uit in eindeloze Excelkolommen, kleurige taartdiagrammen en driedimensionale voorkeursgrafieken. Wanneer hij niet werkte, bereidde hij het proces voor, het definitieve, alle andere processen overbodig makende megaproces dat Farid Travels en alle aan Farid Travels gelieerde personen en organisaties het minderwaardige vel over de oren te trekken. Om mensen te vragen hun ervaringen met Farid Travels met hem te delen, verscheen hij in mar liefst vier televisie- en vijf radio-uitzendingen, iets wat met name de Farids cultstatus in de onderwereld veel goed deed.

Ik kan me niet herinneren dat mijn vader na de dood van mijn moeder nog één keer op een ouderavond is geweest. Ook het schoolvoetbal liet hij aan zich voorbij gaan, terwijl hij er in eerdere jaren als trainer-coach-leider-chauffeur-verzorger-scheidsrechter altijd bij betrokken was geweest.

Bij de eindmusical van Groep 8 was ik de enige zonder ouders op een van de ongemakkelijke houten bankjes in de van oud kinderzweet muf geworden gymnastiekzaal. Onze inmiddels ex-buurvrouw-van-de-galerij Soraja was er wel, wat natuurlijk een sympathiek gebaar was, maar haar ongetwijfeld lief bedoelde presentje – een taart met in letters van marsepein ‘Een nieuwe start’ – heb ik die avond op weg naar huis toch maar in de vijver van mevrouw Van Dam van nummer 17 laten zakken, voor de vissen. Mijn vader had het gebaar van Soraja makkelijk verkeerd kunnen opvatten, hij was nogal lichtgeraakt in die dagen.

En terwijl mijn vader in hoog tempo uitgroeide tot de adjunct-directeur van Peil.nl en een twee-onder-één-kaphuis voor ons bij elkaar enquêteerde, verloor ik me in de enige tijdsbesteding die de herinnering aan mijn moeder tijdelijk naar de achtergrond kon verdringen: voetbal.


III.

In de jongetjeskleedkamermythes die wij in die jaren onder de douche doorvertelden terwijl we ondertussen onze urine lieten lopen alsof de doucheruimte één grote pisbak was, droegen de scouts beige regenjassen met een slip waar je een nonchalante knoop in kon leggen.

Het beeld van de scout dat oprees in onze gezamenlijke fantasie was dat van een kleurloze klerk, een man met een zijscheiding, een bril en een pukkel die ergens halverwege zijn wang zat, als een geheim herkenningsteken. Onder zijn arm drieg hij een schrijfblok, een schrijfblok zoals Louis van Gaal er één had, met een harde achterkant en een speciaal leertje om je pen in kwijt te kunnen. Hij had een bekertje kantinekoffie in zijn hand, waar hij af en toe zachtjes in blies, terwijl hij zijn blik op het veld gericht hield.

Jaren later, toen we onder diezelfde douches zwijgend de verschillende stadia van schaamhaargroei bij de rest bestudeerden en nog altijd pisten met een vanzelfsprekendheid die je eerder zou toeschrijven aan de finalisten van de Europese Vanzelfsprekendheidskampioenschappen, lachten we om dat kinderlijke beeld, die fantasiefiguur, die fantoomscout die nog altijd door onze dromen spookte, maar waaraan we niet meer openlijk durfden toe te geven.

En, zoals de ijzeren wet van het jongensboekenverhaal het nu eenmaal voorschrijft, juist toen we er officieel geen rekening mee hielden dat iemand van ons ooit nog het blikveld van een profclub zou binnendribbelen, gebeurde het.

Eerst verscheen er een onbekende jongen met een trainingsjack en aërodynamisch achterovergekamd haar langs de bijna helemaal recht getrokken lijntjes van ons hoofdveld. De jongen zag eruit als de patiënten die je wel eens in tv-documentaires over luxe-afkickklinieken over het binnenterrein van een of ander Schots kasteel ziet scharrelen. Zijn plompe verschijning was niet die van de onbekommerde innemer of de genetisch benadeelde dikzak, maar dat van de voormalige topsporter die de zaak ernstig heeft laten versloffen. Lichamen van ex-sporters doen me vaak denken aan vervallen landhuizen. De verf begint te bladderen, het hek met de barokke punten piept en roest en waar ooit een gazon als een biljartlaken was, bevindt zich nu een knollenveld vol plukken verdord, kniehoog gras.

De lichamelijke verloedering had ook toegeslagen in zijn gezicht, maar dan omgekeerd: boven op de rolladeachtige bovenbenen en de tegen de rits van het trainingspak drukkende romp, bevond zich plotseling een pezig nekje, alsof er in de fabriek waar deze jongen was gefabriceerd opeens een onderdeel van een heel andere afdeling aan het geheel was toegevoegd. Daarbovenop, als de golfbal op de tee, stond een hoofd als een stevig opgepompt vijfje. Menselijke uitsteeksels als oren en neus waren wel aanwezig, maar leken te zijn afgevlakt, zoals bij stenen gebeurt wanneer er eeuwenlang een rivier langs stroomt. Maar het meest opvallend waren zijn ogen. Vlammende knikkers, met pupillen die heen en weer schoten als een pingpongballetje in een bladblazer.

Wij zien alles, zeiden die ogen. Maar dat wisten wij toen nog niet.

De eerste keer was de jongen ons nog niet opgevallen, was hij nog slechts een schim in een glimmend trainingspak. Onze club was iedere zaterdagmiddag bezaaid met schimmen in trainingspakken. Niemand wist wat hun functie was, van velen wisten we hun naam niet eens, maar ze waren er altijd en ze bemoeiden zich met alles waar je je op een amateurvoetbalclub menselijkerwijs maar mee bemoeien kan.

Wij zagen in de jongen met het aërodynamische kapsel en het trainingspak dat glom als de tuba van de plaatselijke fanfare slechts een nieuw lid van het ondergrondse leger van bemoeials dat al jaren z’n best doet om Nederlandse sportverenigingen van binnenuit uit te hollen en besteedden verder geen aandacht aan hem.

Hij kwam een tweede keer, hij kwam een derde keer, tot hij – het moet in november geweest zijn, want de tijd van het eindeloze afgelasten was begonnen – ook trainingen begon te bezoeken. Na de trainingen, die we afwerkten op een ieder jaar weer met duur graszaad ingezaaid en tegen half september van ieder grassprietje verstoken stukje prairie met minidoeltjes, fantaseerden we over het leven van een man die zijn dinsdagavonden niet op een fijnere manier leek te kunnen besteden dan in zijn auto te stappen (een Citroën sportmodel zus-en-zo, een beetje een zielige auto), naar de club te rijden en daar in de ijskou naar het lamlendige warmlopen van veertien pubers op noppen te gaan kijken.

Tot de trainingspakman – het was intussen december, het vroor, maar de wedstrijd ging voor één keer door – op een zaterdagmiddag in Loenen a/d Vecht een metgezel had. Een man van middelbare leeftijd, een man met een zijscheiding, in een beige regenjas met een slip.

Het geheime herkenningsteken bevond zich halverwege zijn neus.

Die middag in Loenen a/d Vecht scoorde ik twee keer (één , een aantal waarmee ik mijn seizoensgemiddelde geen dienst bewees (22 goals in 10 wedstrijden, alsjeblieft).

Ik ben vergeten of ik het al verteld heb, maar na de “Hel van Hammerfest” (de kop boven een reconstructie van mijn moeders reis in Vrij Nederland, een reconstructie die zó stikvol fouten zat dat mijn vader niet alleen zijn abonnement opzegde en een ziedende, nooit geplaatste brief naar de redactie stuurde, maar bovendien de uitgever van het blad wegens smaad voor de rechter daagde – een nieuwe mislukking in zijn van mislukkingen vergeven geschiedenis van juridisch afgereageerde woedeaanvallen), mijn overgang naar een school die zoveel begrip toonde voor mijn situatie dat ik in die eerste twee jaar eigenlijk geen voldoendes hoefde te halen om over te gaan én het begin van de bloeiperiode van mijn vaders carrière als onmisbare vinger aan de pols van de Nederlandse samenleving, stond mijn leven in het teken van de sport die ik was gaan omarmen als een familie, als mijn getraumatiseerde vader, als mijn dooie moeder en als mijn wegens bevolkingsbeperkingmotieven van mijn ouders nooit geboren broertjes en zusjes.

De top halen, het was een mantra dat zich op een onbewaakt moment in mijn geest geëtst moest hebben. Ik dacht aan niets anders meer. ’s Ochtends, vóór school, liep ik vijftien kilometer hard. Op school dacht ik na over spelsituaties, speelde wedstrijdbeelden in mijn hoofd af en tekende tactische stellingen in mijn schrift die ik analyseerde alsof het schaakproblemen waren.

In de pauzes voetbalde ik. Alleen. Mijn klasgenoten plaagden me er eerst om, maar toen het herhalen van dezelfde grappen zelfs de grootste oetlul van de klas (Remco van Kesteren, tegenwoordig magazijnmedewerker bij de Makro, zag ik op Facebook. Hallo, Remco!) begon te vervelen, lieten ze me dan maar links liggen. Het isolement dat daarop volgde verwelkomde ik als een oude vriend, de extra tijd die mijn eenzaamheid me opleverde, propte ik in een trainingsschema dat slechts één doel kon hebben.

Tegen de tijd dat ik in de C1 zat, trainde ik ruwweg drie keer zoveel als een gemiddelde Eredivisiespeler. Op mijn jongenskamer had ik een kleine fitness aangelegd, een primitief sportschooltje rond mijn bed, met bakstenen als gewichten, een bokszak van de intertoys aan het plafond en een met ballen en balletjes bezaaide vloer.

Als het regende, trainde ik daar.

’s Avonds, voor het slapen gaan, las ik voetbalboeken die ik op het pasje van mijn vader leende bij de bibliobus.

Zo ontwikkelde ik me in nauwelijks twee jaar tijd van een aardige rechtshalf in de D1 tot de absolute ster van de C1, een nummer 10 met de longen van een paard, de bovenbenen van een Oost-Duitse wielrenner, de armen van een pianoverhuizer en de zorgvuldig in leven gehouden droom van een achtjarige.

Met dank aan Farid Travels.

IV.

Nog geen tien maanden later stopte er voor het eerst een bejaardenbusje voor het met inbrekeronvriendelijke punten versierde hek van mijn middelbare school. Het was maandag, het zesde uur was net begonnen en meneer Bastiaanse (voor vrienden en leerlingen: ‘Das Nazischwein’) was juist begonnen de voorzetsels horende bij de vierde naamval met een stompje krijt op het bord te krassen.

Zoals altijd zat ik links achteraan, bij het raam dat uitkeek op de tuinen van de villa’s die de school omringden. Eén tuin bestond bijna volledig uit een zwembad, een rechthoek van een ziekelijk lichtblauw temidden van talloze groene vlakken.

Er dreven blaadjes in, zag ik.

De club had gevraagd of ik mijn school alvast op de hoogte wilde brengen, dan zouden ze later wel overleggen ‘over huiswerk en vrije uren en zo’ – de Ajax-studiebegeleider sprak op een toon alsof hij het had over diersoorten die op het punt van uitsterven stonden.

Ik had niemand op de hoogte gesteld, mijn volharding in onopvallendheid had me op school in een dode hoek gedreven, een windstille plek uit het zicht van leraren en klasgenoten, een plaats waar ik me wentelde in een chronisch gebrek aan aandacht, voor zo lang als het duurde. Ik piekerde er niet over om die comfortabele positie op te geven door de interesse van God-weet-wie op me te vestigen met de mededeling dat ik voortaan iedere maandag, woensdag en vrijdag zou worden opgehaald door een busje. Een busje dat dan al vol zou zitten met zes of zeven simpelen van geest (chauffeur niet meegerekend), een busje dat ons naar een plek dertig kilometer verderop zou vervoeren en dat ons zou uitbraken op een tussen snelwegen ingeklemd sportterrein waar een zesjarige masteropleiding tot profvoetballer voor ons gepland was.

Net toen Bastiaanse klaar was met het bijschaven van de ringel-s van auBerdem, waaide het geluid van de claxon over het schoolplein. Onmiddellijk pakte ik de reusachtige sporttas – het soort weekendtas waar je, als je zou willen, minstens drie tuinkabouters van gemiddelde lengte in zou kunnen vervoeren – met het kabouterachtige drielijnenprofiel van de Griekse held erop, slingerde hem over mijn schouder en wandelde zonder iets te zeggen het lokaal uit, met de tred van iemand die zijn orthodontistenafspraak zó heeft weten te verzetten dat hij precies tijdens de vierde Duitse naamval valt.

Op het schoolplein zwierde ik de tas in de gapende achterbak van het busje, knikte naar mijn nieuwe teamgenoten wier gelkoppen strepen maakten op de ruiten en zei tegen de chauffeur (Hans heette hij, een galbak wat het): ‘Je hoeft volgende keer niet helemaal het plein op te rijden.’

De rest van de rit zwegen we, als gevangenen die naar het schavot worden gereden.

Ook in mijn jaren in de jeugd van ’s lands bekendste voetbalclub bemoeide mijn vader zich nauwelijks met mijn voetbalcarrière. Eigenlijk bemoeide hij zich überhaupt niet met mij – zijn leven speelde zich af temidden van een onafzienbaar oerwoud van meningen en standpunten. Op de zeldzame momenten dat ik hem thuis tegen het lijf liep, vertelde hij enthousiast over de voortgang van zijn voorbereidingen van het megaproces tegen Farid Travels en over de hoopvolle berichten dat de grote baas van Peil.nl, een miezerige man met een sikje die zichtbaar gebukt ging onder zijn ondermaatse fysiek, al meerdere malen had geklaagd over pijn in de borst. Volgens mijn vader was een hartaanval nog slechts een kwestie van maanden en dan zou – hoezeer hij dat natuurlijk ook zou betreuren – de weg naar zijn laatste zuurverdiende promotie openliggen.

Bij Ajax bevond ik me intussen in wat in de wandelgangen bekendstond als ‘een tussengeneratie’. De jongens met wie ik dag in dag uit, maand in maand uit, jaar in jaar uit, viermaal per week werd vernederd door moderne beulen die hun kantoortjes volgehangen hadden met elk denkbaar trainersdiploma, vormden een team waar hoegenaamd niets van verwacht werd. Wij waren de stopverf tussen twee gouden lichtingen, een teleurstellende bijvangst van krabjes en sardines die door de haringvisser vroeg of laat in zee wordt teruggeflikkerd. Af en toe werd er wel eens iemand van ons team voor een vertegenwoordigend elftal geselecteerd, maar die uitverkiezingen leken voornamelijk een beleefdheidskwestie. En terwijl de ene trainer na de andere trachtte ons collectief gebrek aan talent op te heffen door ons als honden te dresseren, ons looplijnen uit het hoofd te laten leren, eindeloos driehoekjes laten maken en ons uit te kafferen bij iedere verkeerde pass, wandelden wij door de jeugdopleiding, als een criminele oom die zonder uitnodiging op elk familieweekend komt opdagen.

We werden C1, B2, B1, A2 en A1. Er viel wel eens iemand af, er kwam wel eens iemand bij (zoals, in de B2, Kwame, de sterspeler van Ajax’ academie in Ghana. Deed vijf wedstrijdjes mee, scoorde twaalf goals en verdween. Later hoorden we dat hij een relatie was begonnen met de moeder van zijn pleeggezin en met haar in de Dordogne was gaan wonen), maar in wezen veranderde er niet veel. Het geraamte van de ploeg bleef van hetzelfde middelmatige gehalte. Nooit stonden er eerte-elftalspelers bij onze wedstrijden langs het veld. Ook het Hoofd Opleidingen, een brillende zonderling die op de deur van zijn kantoor een bordje had hangen waarop in keurige kantoorletters ‘Managing Operating’ stond, totdat een journalist hem eens in vertrouwen vertelde dat dat in geen enkele taal een functieomschrijving was, kwam zelden of nooit kijken.

Niemand noemde ooit een van onze namen als Ajax’ toekomst.

Geen van ons kreeg zelfs een scootertje aangeboden door Sjaak Swart. Zaakwaarnemers waren er wel, in naar goedkope after shave geurende zwermen, maar dan vooral zaakwaarnemers uit, nou ja, een ander marktsegment dan de zaakwaarnemers waar het in de VI altijd over ging.

De meesten van ons werden begeleid door ene Berry, eigenaar van Berry’s Fashion (“Alles voor hem en voor haar”, drie vestigingen, twee in Purmerend en eentje in Krommenie) en bezitter van de kruidigste mondgeur die ik ooit rook. Berry deed ons team er maar een beetje bij, liefst met twee of drie tegelijk, want hij moest ook aan z’n fashion denken, zeker in deze tijden, waarin mensen liever naar de H&M gingen dan naar een zaak met een stukje persoonlijke klantenattentie, zei Berry. Maar hij zag wel grote mogelijkheden in de zaakwaarnemerij, al voegde hij er altijd aan toe dat hij zichzelf niet meteen een FIFA-licentie zag halen.

‘Ik ben nog nooit ergens voor geslaagd,’ zei hij dan altijd.

Zelf had ik niemand kunnen vinden die mijn belangen wilde behartigen. Er leek geen levende ziel in mijn belangen geïnteresseerd, ik vroeg me wel eens af of ik zelf wel belang stelde in mijn belangen. Ik hád niet eens echt belangen, Ajax had nooit laten merken dat ze mij voor de club wilden behouden, noch was er een andere club die ooit zijn interesse in mij kenbaar had gemaakt. En Berry van Berry’s Fashion zat vol, hij kon er echt geen rechtsback (ik was inmiddels afgezakt naar de meest armzalige positie van een voetbalelftal, de krukkenplek, de laatste halte voor je eruit geknikkerd wordt, weggegooid, als het badwater van het spreekwoord met dat kind) meer bijhebben.

Met alle respect, voegde hij eraan toe. Dat begreep ik toch wel?

Ja Berry, zei ik. Want ik begreep hem.

Tot er twee maanden later een griepvariant door de eerste selectie begon te waren dat huishield met de voortvarendheid van illustere voorgangers als de pest, de cholera en de tyfus. De spoeling werd din, zó dun dat men vreesde dat ze er niet onder uit zouden komen om de aangekoekte resten van de tussengeneratie op te stellen. En dat gebeurde. De ene na de andere werd bij de selectie gehaald, alsof het hier liefdadigheid betrof, een maandje Ajax 1 voor de zwakzinnigen voor de tussengeneratie.

Heb je wel eens een groep mooie meisjes op een zonvakantie gezien? Mijn teamgenoten die één voor één hun debuut maakten, waren als de dikkerd waar iedere groep mooie meisjes er altijd één van heeft. De houdster van het tequilarecord.

Geen van allen voldeden ze, geen van allen kwam verder dan een 4,5 in de maandag-Telegraaf.

‘Meer smaken hebben we nu eenmaal niet,’ mompelde de trainer op de persconferentie na NAC – Ajax (4-2), als een ijsverkoper tegen een kieskeurige kleuter.

Ik zat voor de tv en dacht: en ik dan?

Boven hoorde ik mijn vader zijn zoveelste woedende brief tikken.

V.

De dag na NAC – Ajax werd ik op de club apart genomen door de trainer van het eerste.

Hij vroeg of ik al iets van het bestuur had gehoord, met oog op volgend seizoen.

Nee, zei ik, want het was zo: niemand had iets laten horen, niemand wilde me kopen, huren of zelfs maar gratis hebben. Maar het ergste was: niemand voelde de behoefte dat aan mij mee te delen.

‘Ik weet hoe jij je altijd hebt ingezet voor de club,’ zei de hoofdtrainer, terwijl hij het voorbijfladderende blondje van het regionale sportprogramma toeknikte. ‘En jij weet hoe lastig wij financieel zitten, met contracten en alles.’

Ik knikte.

Hoeveel slechtnieuwsgesprekken vinden er dagelijks op de parkeerplaats van een profclub?

‘Waar het op neerkomt: je kunt niet blijven. Je moet weg, na dit seizoen.’ Er was geen enkele toon in zijn stem te onderscheiden, geen emotie, zijn stem was van het grijste grijs.

‘Maar er is ook goed nieuws,’ zei hij. ‘Quincy is veel zieker dan we dachten.’

‘Ik wist niet dat je een hekel aan Quincy had,’ zei ik.

‘Neeneenee, zo bedoel ik het niet,’ zei hij haastig, de humorloze eikel. ‘Ik bedoel, ik bedoel dat, nou ja, we komen echt ontzettend veel mensen tekort, en we hebben iedereen uitgeprobeerd, en niemand, nou ja, je snapt, je hebt het gezien, ik weet niet of, nou goed, wat ik bedoel is dat: je staat erin zondag.’

Weer knikte ik zonder iets te zeggen.

‘Is dat dan een jongensboek?’ vroeg hij.

‘Nee,’ zei ik en liep zonder verder nog iets te zeggen door de automatische schuifdeuren het clubhuis binnen.

Diezelfde avond schreef ik me voor het volgende schooljaar in op het LUZAC, waar ik de scherven van mijn een jaar eerder op de keien van een gebrek aan inzet stukgevallen gymnasiumopleiding bij elkaar zou zoeken en tot een diploma zou proberen te lijmen.

*

Tijdens het douchen pis ik nog één keer de witte tegels van de glimmende badruimte geel.

Daarna trek ik het van een ploeggenoot geleende clubkostuum aan, strik mijn stropdas en gooi de tas over mijn schouder. Als ik de deur al uit ben, roep ik nog een groet.

Niemand groet terug. Wel hoor ik de stem van Van Polen. Wat hij zegt, weet ik niet. Eerst mijn naam, dan wat ruis en dan collectief gelach.

Als ik thuiskom, is mijn vader nog op de rechtbank. De rechtszaak tegen Farid Travels is een week bezig en de vooruitzichten zijn goed. In de schuur gooi ik mijn kicksen in de kliko, één voor één, het voelt als muntjes gooien in een fontein. Alleen brengen die muntjes je nooit geluk.

Daarna loop ik naar de telefoon en reserveer een tafel in de pizzeria om de hoek.

‘Voor twee, ja.’

M’n vader, hij zal wel honger hebben als hij zo thuiskomt.

Advertenties

5 Reacties op “KANSLOOS

  1. Wat een geweldig beschreven verhaal !!!

  2. Pingback: DEEL 4 FRANK HEINENS ‘KANSLOOS’ ONLINE! |

  3. Pingback: HET JAAR VAN ABE, CLARENCE, MICHEL EN WAMBERTO |

  4. Pingback: KANSLOOS, EEN VOETBAFEUILLETON – het slot! |

  5. Pingback: AANKONDIGING: 18 MEI 2013 = VIJF JAAR VOETBLAH !! |

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s